donderdag 16 maart 2017

Visumvreugde

Als West-Europeanen hebben we het visum-technisch niet slecht. We kunnen een aardig deel van de wereld bereizen zonder daarvoor een visum nodig te hebben. Als ik om me heen kijk, een groot voorrecht. Maar sinds we in centraal-Azië wonen, hebben ook wij te maken met de noodzaak tot het bemachtigen van visa, willen we ook in dit deel van de wereld nieuwe, interessante landen ontdekken. En dat is nou precies ons plan voor de aankomende voorjaarsvakantie. Velen brengen vanuit hier hun vakantie door aan de Thaise stranden, maar wij wilden wat meer actie. Bovendien ligt Thailand dan wel op hetzelfde continent, maar toch bepaald niet naast de deur. Wat wel naast de deur ligt, is ons buurland China. Een wereld op zich, die de kinderen al tijden tot de verbeelding spreekt en ook ons intrigeert. Een rechtstreekse betaalbare vlucht van vier uur en vanalles te zien en te doen. De beslissing was snel gemaakt: China zou het worden. Onmiddellijk kregen we van alle kanten adviezen, aanbevelingen en vooral ontmoedigingen. De luchtvervuiling, het weer, de mensen, de hoeveelheid mensen, maar vooral: het visum. Het verkrijgen van een visum voor China had menigeen kopzorgen bezorgd en velen doen afzien van een reisje naar China. Maar wij lieten ons nergens door afschrikken. Wij zouden het visum aanvragen, het visum krijgen en naar China gaan.

Mijn eerste bevindingen waren hoopvol. Het consulaat bleek op nog geen tien minuten lopen van ons huis te zijn gevestigd. Op internet had ik gelezen dat met grote regelmaat voor langere periodes geen visa worden verstrekt aan buitenlanders. Zij die de nationaliteit van ons woonland hebben, kunnen in die periodes wel een visum bemachtigen, maar een ieder ander valt buiten de boot. Mijn eerste telefoontje met het consulaat bevestigde tot mijn genoegen dat ze Engels sprekende medewerkers hebben en momenteel visa verstrekken aan buitenlanders. De vereisten bleken alleszins redelijk. Ik zag het zonnig in. Twee weken na mijn eerste contact, belde ik nogmaals om wat nadere opheldering te vragen over met name het aanvraagformulier dat slechts in het Russisch en het Chinees verkrijgbaar was. Dit keer werden mij aanzienlijk verdergaande vereisten medegedeeld. Een papierwinkel waar je U tegen zegt, waarvan een deel schier onmogelijk leek. Inmiddels hadden we onze vluchten reeds geboekt en de hotels gereserveerd, want zonder geboekte vlucht en gereserveerde hotels wordt je visumaanvraag subiet afgewezen. We begonnen hem dus enigszins te knijpen. Gelukkig werd ik in mijn derde telefoongesprek met het consulaat weer gerustgesteld: de vereisten die mij in eerste instantie waren medegedeeld waren de juiste.

We gingen over tot de volgende stap. Het maken van de pasfoto's. We waren al gewaarschuwd dat het met de foto's heel erg nauw kwam. Ik kan me herinneren dat dat ook het geval was toen we voor onze Nederlandse paspoorten foto's moesten laten maken, dus voorbereid gingen we op pad. Het winkeltje waar we doorgaans onze foto's laten maken, kende de Chinese vereisten wel en verzekerde ons dat het goed zou komen. Dochter op de foto, haren in een vlecht, oren vrij, witte achtergrond, niet lachen. “Ik zal weer als een crimineel-in-de-gevangenis kijken, mama, ok?” Klik, dochter's boeventronie vastgelegd. Zoon op de foto. Zijn oren zijn altijd vrij en het zou slechts moeite kosten om hem wel glimlachend op de foto te krijgen, dus dat was snel gepiept. Toen ik op de foto. Haren achter de oren, niet lachen, klik. De dame van het winkeltje werkte de foto's van de kinderen iets bij, totdat alles precies op de juiste plek zat en er geen haartje meer piekte. Vervolgens ging ze met mijn foto aan de slag. De kinderen stonden er geinteresseerd naar te kijken. “O kijk mama, ze haalt al je haren weg! En je wallen! En je kleren!” Ik was kennelijk allesbehalve China-proof. In nog geen vijf minuten tijd was ik geheel getransformeerd. Van mijn toch al niet overdadige haardos was vrijwel niets meer over. Mijn wallen waren weggepoetst. De trui die ik aanhad was vervangen door een bruin mannenoverhemd. Ik zag er streng uit, als een soldaat strak in het gelid. Tevreden drukte de mevrouw van het winkeltje onze foto's af. Zo was het goed. Met afgrijzen naar mijn nieuwe ik starend, nam ik de foto's in ontvangst. Op hoop van zegen.

Met het Chinese nieuwjaar op komst, belde ik nogmaals naar het consulaat om te vragen wanneer ze dicht zouden zijn. De mevrouw deelde mij de data mede en vroeg of we alle papieren hadden verzameld, waaronder de uitnodiging van Chinese zijde, bankafschriften, verklaring van goed gedrag en gegevens van familieleden die in het woonland achterbleven. Ik begon te zweten. Nee, dat hadden we allemaal niet, want dat was toch niet nodig. We hadden het aanvraagformulier, foto's, kopieën van paspoorten, vliegtickets, hotelreserveringen, geboortecertificaten, trouwcertificaat en kopieën van onze diplomatieke passen. Bij het horen van het woord diplomatiek veranderde de toon en deelde mevrouw ons mede dat het dan waarschijnlijk wel in orde zou zijn. Maar 'waarschijnlijk' garandeerde mij geen goede nachtrust. Ik vroeg mijn man de volgende dag om ook het consulaat te bellen om te vragen wat de visumvereisten zijn. Ik raadde hem aan er niet bij te vermelden dat zijn vrouw al eerder had gebeld: we wilden een onafhankelijk antwoord. Het eerste wat de mevrouw van het consulaat hem vroeg was of zijn vrouw uit Nederland wellicht al eerder had gebeld. Op heterdaad betrapt. Vriendelijk bevestigde de mevrouw dat dankzij onze diplomatieke status in ons woonland de basisvereisten op ons van toepassing waren. Ik hoefde nog slechts op maandagochtend in de rij te gaan staan om de aanvraag af te geven en op de daarop volgende maandag in de rij te gaan staan om de visa op te halen. Soms is het diplomatieke hokje handig. Het zou gaan lukken.

De laatste hobbel lag voor me, klaar om genomen de worden. De rij. Ik had van verschillende kanten gehoord dat het consulaat open is voor publiek van negen tot twaalf. Wie om twaalf uur niet binnen is, kan onverrichterzake weer naar huis. Je moet dus zorgen dat je vroeg in de rij staat. Negen uur is te laat: uiterlijk om acht uur aanschuiven, verzekert je van een plaats aan de juiste kant van de deur. We hadden weinig speling omdat zowel mijn man als ik nog op reis moesten en ons paspoort dus nodig zouden hebben. Die maandag zou het moeten lukken. De weersvoorspelling gaf aan dat het min 19 graden zou zijn om acht uur 's ochtends. Ik zou waarschijnlijk een uur of drie in de rij moeten staan. Voor geen kleintje te vangen, vulde ik mijn rugzak met een thermoskan hete thee, handen en voetenwarmers voor in de wanten en laarzen en een boek. Ik trok twee thermoshirts met lange mouwen aan, twee thermobroeken en daaroverheen mijn skibroek en -jas. Sjaal, muts, wanten, sneeuwlaarzen. Klaar om te gaan. Er stond al een aardige rij toen ik aankwam, maar ik schatte in dat het me zou lukken om voor twaalf uur binnen te zijn. Tot mijn verbijstering was ik de enige plofkip in de rij. De enige buitenlander ook. Iedereen om mij heen had een spijkerbroek aan, of een nette pantalon. Schoenen, een gewone winterjas, een enkeling had een muts op. Ze wreven hun handen warm, hupten wat op en neer, maakten een praatje met hun buurman of -vrouw en wachtten geduldig. Ik las stoicijns mijn boek maar bibberde van binnen van de kou. De thee durfde ik uiteindelijk niet te drinken, want stel dat ik naar de WC zou moeten.

Na slechts twee uur wachten mocht ik naar binnen. Ietwat nerveus gaf ik alle documenten aan de dienstdoende dame. Die glimlachte mij minzaam toe en wist uiteraard precies wie ik was. Na een minuut of tien kwam het verlossende woord: alles was in orde, ik kon de volgende maandag de paspoorten met visa komen ophalen. Eenmaal buiten en het hoekje om verscheen er een belachelijke grijns op mijn gezicht. Gelukt! Het feit dat ik nog naar de andere kant van de stad moest om de visa bij de Chinese bank te gaan betalen – iets dat mij normaal gesproken niet heel blij zou maken – kon me niets schelen. Ik sprong in een taxi, betaalde de visa en sprong in een taxi terug naar huis. Het voelde als een overwinning, als een ongelooflijke prestatie. We zijn verwend. Terugkijkend kostte het een paar telefoontjes, een slapeloze nacht, een paar sessies met een Russisch sprekende vriendin om het aanvraagformulier juist ingevuld te krijgen, een interessante fotosessie, wat kopieerwerk, een koude ochtend en een taxiritje naar de bank. De paspoorten met visa liggen klaar. Morgen vertrekken we. Op naar China.
Maart 2017

maandag 6 maart 2017

Kussentjes


Voortdurend op zoek naar eenvoudige ideetjes voor 'mijn' jongeren, maakte ik van wat restjes twee streelzachte kussentjes. Uiteraard direct geconfisceerd door mijn kinderen. 




zondag 26 februari 2017

Cultureel bewust

Cultuurverschillen. Ik kan nogal eens suggestief met de ogen rollen als man zich - in mijn ogen – typisch Spaans gedraagt en verzuchten dat de cultuurkloof tussen ons soms onoverbrugbaar lijkt. Maar uiteindelijk is er, op een aantal behapbare cultuurverschillen na, vooral sprake van karaktereigenschappen die weleens willen botsen. Interessant genoeg (lees: frustrerend genoeg) blijken cultuurverschillen tussen ons niettemin een flinke sta-in-de-weg op het moment dat we voet zetten op Spaanse bodem. Alle Spaanse culturele cliches stromen dan ineens uit al man's porieën. Zoals we de dingen thuis doen, doen we ze niet in Spanje, lijkt zijn credo. De liefdevolle maar ook knellende familieverplichtingen, de late diners, de eindeloze lunches, de late kinderbedtijd, de hoeveelheid ongezond goed... ik neem mij al tien jaar lang voor om het maar gewoon over me heen te laten komen, die paar weken per jaar dat we in Spanje verblijven, maar tot op heden heb ik dat niet langer dan maximaal vier dagen volgehouden. Vier dagen tot het barsten van de bom. Vaste prik. Doorgaans hebben we evenwel, zoals gezegd, meer te maken met karakterverschillen dan met een cultuurkloof.

In mijn werk had ik dagelijks te maken met cultuurverschillen. Werken in verschillende landen met en voor mensen uit alle mogelijke windstreken leidt vanzelfsprekend tot frequente ontmoetingen met andere culturen. Aan 'cultureel bewustzijn' geen gebrek. Sinds ik niet meer werk, is het er cultuurtechnisch evenwel wat eentonig op geworden. Een nieuw woonland betekent uiteraard een nieuwe cultuur, maar dat went snel. Je bent er namelijk dag en nacht in ondergedompeld en 'nieuw en anders' is algauw 'gewoon'.

Een aantal gewoonten in ons huidige woonland hebben mij niettemin in het begin wel even naar adem doen happen, 'cultureel bewustzijn' ten spijt. Ik herinner me dat de garagedeur van ons huis aan het einde van de zomer werd omgezet van handmatig naar automatisch. De technicus was, samen met de huisbaas, gearriveerd. Ik had de deur voor ze open gedaan en medegedeeld dat ik om het hoekje, op nog geen zes meter afstand, op het terras met mijn kinderen zat te ontbijten. Nog geen kwartier later belde man mij op vanaf zijn werk. De huisbaas, die dus net om het hoekje nog geen zes meter van mij vandaan stond, had hem zojuist gebeld en gevraagd of hij - man - mij zou willen vragen of ik de auto uit de garage zou kunnen rijden. Mijn eerste reactie was, positief uitgedrukt, verbaasd. Het is in de loop van de daarop volgende maanden wel enigszins bijgetrokken, maar nog altijd gebeurt het dat ik de huisbaas een vraag stel en straal genegeerd word. Hij doet zaken met man. Ik heb me er bij neergelegd en zie tegenwoordig vooral de voordelen: ik hoef me niet bezig te houden met huistechnisch geregel als er reparaties nodig zijn, als er werklui langs moeten komen of als de huur betaald moet worden.

Ook de schooldokter heeft mij herhaaldelijk naar adem doen happen. Van het lachen. Beide kinderen waren afgelopen nazomer en herfst meerdere malen geveld door een hardnekkig virus dat plotselinge hoge koorts veroorzaakt, waardoor ik regelmatig werd opgebeld door de schooldokter met het verzoek om zoon dan wel dochter te komen halen. De oorzaak van een verkoudheid of een griep ligt hier volgens lokale overtuiging evenwel niet uitsluitend bij een virus. Dat virus is slechts bijzaak. In september was zoon ziek geworden. Het was nog altijd ruim dertig graden en volop nazomer. Ik werd gebeld door de schooldokter. Toen ik op school aankwam, stond ze me al op te wachten. Handen in de zij, boze blik. “Je zoon is ziek”, zo deelde ze mij nogmaals mede. “Hij heeft mij verteld dat hij gisteren een ijsje heeft gegeten. Daardoor is hij nu ziek.” Ik keek haar glazig aan. Het was de vorige dag bloedheet en we hadden inderdaad een ijsje gegeten. Meende ze nou werkelijk dat zoon door dat ijsje nu koorts had, dat dat ijsje de griep had veroorzaakt? Ze meende het werkelijk. Ze was er van overtuigd. Buiten haar gezichtsveld heb ik heel hard gelachen. Zoon moest ook lachen. De dokter had ons namelijk ook nog op het hart gedrukt dat hij de komende drie dagen onder geen beding mocht douchen of badderen. Spekkie naar zoon's bekkie.

Dan is er ook nog de kwestie van de ouderen. Laat ik voorop stellen dat ik mijzelf beschouw als een welopgevoed en beleefd mens met groot respect voor ouderen. De ouderen hier maken het evenwel vaak moeilijk om beleefd te blijven. Veel ouderen - maar uiteraard niet alle ouderen - lijken hier namelijk helemaal niet welopgevoed, beleefd en respectvol. Deze situatie doet zich met name voor in de rij. In de rij voor de kassa in de supermarkt. In de rij om de bus in of uit te stappen. In de rij voor de skilift. In de rij in de bank. Op het postkantoor. Voor het stoplicht. In elke willekeurige rij. Zonder pardon wringen de ouderen zich met harde elleboog naar voren. Ze trappen op je tenen, duwen je omver, gaan aan je tas hangen, kijken je aan met dodende blik, porren je hardhandig met de wandelstok, en stoten zonder zich van iets of iemand iets aan te trekken door naar voren. Het schijnt dat ouderen dit gedrag hebben meegenomen uit het oude Soviet tijdperk. Destijds waren er rijen voor vrijwel alles en deze rijen waren zo lang dat je weinig gedaan kreeg als je geduldig in een rij bleef wachten tot je aan de beurt was. Maar als ik in een rij sta met slechts twee mensen voor me, word ik net zo goed uit de weg gemaaid als wanneer ik in een rij sta met veertig mensen voor me. Ik doe hard mijn best om het getrek, geduw en gepook vredelievend te aanvaarden - cultureel bewustzijn is een deugd -, maar ik voel een hevige 'mij krijg je niet omver' reactie in mij opwellen als ik van pijn naar adem hap nadat ik weer zonder waarschuwing een harde elleboog in mijn zij, een trap tegen mijn been of een wandelstok in mijn rug heb gekregen.

Ik ben inmiddels gewend aan de mijns inziens nogal vreemde geneeskundige opvattingen van de schooldokter. Ik aanvaard het feit dat onze huisbaas een vriendelijke man is die zich bij voorkeur tot mijn echtgenoot richt. Maar als ik in de rij staat en een oudere spot, ren ik nog altijd het liefst heel hard weg.

Februari 2017

zondag 12 februari 2017

Winterrok


Dochter wilde graag een winterrokje. Ik had het perfecte stofje al jarenlang liggen, zwart met rood-roze sterretjes. Om me er niet te gemakkelijk vanaf te maken, koos ik voor een plooirokje zonder elastiek, maar met rits, knoop en riemlusjes, met dank aan 'Allemaal Rokjes'.







zaterdag 4 februari 2017

Smaken verschillen

Aan de andere kant van de stad staat een heel groot winkelpand. In dit pand huist een enorme meubelzaak. Ze verkopen alles om je huis in te richten. Badkamers, lampen, vloerkleden, tafels, stoelen, bedden, kasten. Om alles te zien heb je een dag nodig. Wij zijn er wel eens geweest, op zoek naar een keukentafel. Het voelt alsof je rondloopt in een pretpark. Regelmatig staan we stil voor een gouden toiletpot in Cleopatra stijl of een grijze leren bank met armleuningen zo breed als een éénpersoonsbed, afgewerkt met glimmende goudkleurige en diamantachtige elementen. Alles is groot, zwaar, donker en glimmend. Vol verbazing lachen we om de wanstaltige lelijkheid van vrijwel alles wat er in deze enorm grote winkel te koop is.

Deze stijl, die zo ver afstaat van onze eigen smaak, vindt niettemin gretig aftrek bij de overgrote meerderheid van de lokale bevolking. Niet alleen de oudere, maar ook de jongere generaties kiezen vrijwel unaniem voor dergelijke meubels en bijpassende gordijnen en behang. Het is wat ze gewend zijn en wat in hun omgeving de norm is. Zouden zij een rondje hippe West-Europese interieurs doen, dan zouden zij zich waarschijnlijk een kriek lachen om al die huizen die op vergelijkbare wijze zijn ingericht en aangekleed met hout, retro en cactussen. Of ze nou aangeboren of aangeleerd zijn, smaken verschillen.

Een paar maanden geleden, kort voor december, werd mij gevraagd of ik zin had om een dag per week te gaan helpen in een weeshuis. In het huis, op een uurtje rijden van de stad, wonen ongeveer 60 kinderen van alle leeftijden. Er wonen ook een aantal jong-volwassenen met een lichamelijke en/of geestelijke beperking. Een aantal van hen werkt onder de bezielende leiding van Tania in het naaiatelier. Hier maken ze, ieder naar eigen kunnen, kussenslopen, gordijnen en kapotte knieën voor hun huis. Ook naaien ze vanalles om te kunnen verkopen op markten en bazars om zo bij te kunnen dragen aan de financiering van het weeshuis.

De afgelopen paar jaar hielp een Italiaanse hen bij het bedenken van de collectie en de verkoop. Ideeën, patronen, stofkeuze. Ik werd haar opvolger. Sindsdien rij ik elke vrijdag voor dag en dauw naar het weeshuis. De eerste vrijdagen waren een uitdaging. Niet verdwalen. Rijden in sneeuwbuien en over spekgladde wegen. Proberen te communiceren met mijn vaak ontoereikende Russisch. Hun verwachtingen waren hooggespannen. In december zouden er een aantal winterbazars en kerstmarkten plaatsvinden en ik zou daar voor spetterende verkoopcijfers gaan zorgen. Direct op mijn eerste vrijdag werd de waar voor me uitgestald. De kledingcollectie die de Italiaanse met ze had gemaakt, was opgestuurd naar Italie waar zij de bloesjes, jurkjes en pyjamaatjes zou verkopen ten bate van het weeshuis. Maar er was nog vanalles wat ik kon verkopen. Ik zag boompjes gemaakt van nepbankbiljetten. Rondborstige poppetjes met strohaar. Diademen met enorme glimmende bloemen. Hartvormige bakjes van plastic en nephout, versierd met lintjes en plastic kralen. Glinsterend synthetische kussenhoezen. Glimmend van trots en verwachtingsvol keken ze me aan.

Ik wist twee dingen zeker. Eén. Deze spulletjes zouden niet al te best verkopen aan de internationale gemeenschap. Twee. Ik zou dit diplomatiek moeten aanpakken. Met de wetenschap dat er nog slechts drie weken te gaan waren tot de bazars van start zouden gaan, had ik op voorhand een aantal ideeën voorbereid en voorbeelden meegenomen van wat mijns inziens goed verkoopbaar zou zijn en bovendien in korte tijd gemaakt zou kunnen worden. Ik zette mijn tas op tafel en haalde er een stoffen slinger uit. Tania keek naar de slinger. Tania keek naar haar team. Tania's team keek naar de slinger. Vervolgens barstte men eensgezind in lachen uit. “Wat moet je daar nou mee! Dat koopt toch niemand!” Diplomatie was hier helemaal niet nodig. De rest van die eerste vrijdagochtend barstten we regelmatig met z'n allen in lachen uit. Was het niet om mijn overige ideeën, dan was het wel om de indrukwekkende spraakverwarring die regelmatig ontstond door de combinatie van mijn gebrekkige begrip van en spraakvaardigheid in het Russisch en het spraakgebrek van sommige van mijn nieuwe collegas. Niettemin wist ik ze over te halen om in de weken die ons nog restten tot de kerstmarkten, een aantal stoffen slingers en vilten kerstboompjes te maken.

Drie weken later reed ik op een zondagochtend naar de eerste bazar. Tijdens mijn tweede en derde bezoek aan het weeshuis, was ik er achter gekomen dat ze ook fantastisch leuke poezenkussens hadden gemaakt en schattige poesjes die je aan hun staart kan ophangen. In mijn kofferbak stond dus een grote doos vol poezen, rondborstige poppetjes met strohaar, diademen met enorme glimmende bloemen, hartvormige bakjes van plastic en nephout, glinsterend synthetische kussenhoezen, stoffen slingers en vilten kerstboompjes. Ik begon hem te knijpen. Wat nou als ik inderdaad geen slinger zou verkopen? Hoewel ze vrij veel stoffen in hun atelier hebben liggen, zijn de kleuren en kwaliteit over het algemeen niet al te best. Het was nog een hele uitdaging geweest om verschillende stoffen bij elkaar te zoeken voor mooie slingers. De kerstboompjes bestaan uit steeds kleiner wordende vilten rondjes in allerlei kleuren, met een groene basis en een gele ster op top. Hartstikke leuk, maar de internationale gemeenschap is klein en het merendeel van de lokale bevolking moslim. Mocht mijn inschatting fout zijn geweest, dan zou ik - zo bedacht ik terwijl ik de waar uitstalde - zelf aan het eind van de dag een heleboel stoffen slingers en vilten kerstboompjes kopen en met opgeheven hoofd en lege doos vrijdag bij m'n naaiclub aankomen.

Zorgen om niets. De kerstboompjes, slingers en poezen gingen als zoete broodjes over de toonbank. De diademen met enorme glimmende bloemen ook. De opbrengst van de dag was voldoende om ieder kind te voorzien van een broodnodige nieuwe pyjama. Toen ik op vrijdag het naaiatelier weer binnenstapte, voelde ik hoe ik op dat moment echt werd opgenomen in de groep. Ik kreeg dikke knuffels en vol enthousiasme werden er nieuwe kerstboompjes en stoffen slingers gemaakt.

Sindsdien werken we samen als een goed geoliede machine. Mijn ideeën worden nog altijd vaak met bulderend gelach ontvangen. Ik kijk nog altijd vaak met laten we zeggen 'verbazing' naar hun eigen collectie. Smaken verschillen. Zij verkopen hun waar op de lokale bazars waar mensen hun smaak delen. Ik verkoop aan de internationale gemeenschap die stoffen slingers wel ziet zitten. Met elkaar maken we nieuwe plannen. Er wordt hard gewerkt en veel gelachen. We hebben elkaar in het hart gesloten.

Januari 2017

donderdag 19 januari 2017

Schaapsmand


Afgelopen zomer waren we een paar dagen in Kyrgyzstan waar we leerden vilt te maken van schapenwol. We maakten ieder een lap en die ging mee naar huis.


Die lappen lagen maar te liggen. Zonde. Het vilt is te stevig voor onder de naaimachine, maar met de hand maakte ik er een mand van die nu dienst doet als prullenmand in de naaikamer. Niet subtiel afgewerkt, maar een beetje ruig, net zoals het materiaal, ruig, puur natuur vilt.




vrijdag 30 december 2016

Rode neuzen en een nieuwe trui


Het was dochter's beurt voor een warme woontrui. Een hardnekkige en heftige griep houdt me al een paar weken van de straat en meer dan deze trui werd er niet gefabriceerd. 


Hoewel ik graag teruggrijp op eerder naar volle tevredenheid gemaakte patronen, wil ik soms wel eens iets heel anders proberen. Ik heb wat oude bladen liggen en in de Knippie 39 - herfst 2000 vond ik deze trui. De ronde zakken en rits die vanuit het voorpand rond de capuchon loopt, geven de trui een leuke twist. Ik maakte maat 128. De mode was in 2000 duidelijk wijd, want hoewel ik het patroon versmalde, valt de trui meer dan een maatje groot. Maar dat mag voor een woontrui en bovendien kan hij zo nog een jaartje extra mee. 

 
Kijk toch dat koude rode winter neusje, love it!


De stof kocht ik op de markt in Nederland.


zondag 11 december 2016

En toen was het te laat

In een huwelijk als het onze met een Nederlandse en een Spanjaard, zou je wellicht verwachten dat het temperament aan de Spaanse kant zit. Niets is in ons geval echter minder waar. Man is het toonbeeld van evenwichtigheid, beheersd en stabiel. Ik daarentegen kan nogal eens fel uit de hoek komen. Uiteraard probeer ik mijzelf onder controle te houden, maar de eerlijkheid gebiedt mij toe te geven dat ik wel eens faal. Faliekant. Dan is de koek opeens op en barst de bom. De kalmte waarmee man dergelijke explosies over zich heen laat komen, is bewonderenswaardig, maar werkt op het moment zelf als olie op het vuur. Als de rust dan weer is wedergekeerd, doe ik doorgaans stug alsof ik het al die tijd bij het rechte eind had en glimlacht man minzaam.

Heel soms verlies ik ook tegenover mijn kinderen mijn geduld. Waar ik tegenover man nog wel eens wil stellen dat ik nou eenmaal ben zoals ik ben en dat een beetje temperament de boel voor saaiheid behoedt, probeer ik tegenover mijn kinderen met man en macht de stabiele, evenwichtige, altijd redelijke en geduldige moeder te zijn die ik zo graag zou willen zijn. Maar niets menselijks is mij vreemd, en soms faal ik. Faliekant. Dan wordt er een deur te hard dichtgegooid, wordt er iets op de grond gegooid of verhef ik mijn stem tot boven de toegestane waarde.

Een week of vijf geleden was zo'n moment. Ik ging door het lint. Eén van de kinderen, of allebei - beschamend genoeg weet ik niet meer wat de aanleiding was maar kennelijk was het op dat moment ernstig genoeg – had mij tot het uiterste getergd. Ik kreeg de 'en nu is het genoeg' waas voor mijn ogen. Vervolgens kreeg ik het voor elkaar om één van de absolute 'nooit tegen je kinderen te gebruiken woorden' uit mijn mond te laten glippen. Als ik echt heel erg boos ben en wil dat mijn kinderen echt heel goed begrijpen dat ik echt heel erg boos ben, dan ben ik boos in het Engels. In mijn aldus Engelse tirade voegde zich op onbegrijpelijke wijze ineens heel slinks de zin “What the F... were you thinking?!”

Het was direct doodstil. Zoon begon te snikken. Dochter begon te grijnzen. “Mum, you used the F-word!” Ik kwam onmiddellijk bij zinnen en bood mijn kinderen mijn verontschuldigingen aan. Dat had ik nooit en te nimmer mogen zeggen, het glipte er helemaal per ongeluk uit... Het had duidelijk indruk gemaakt en ik nam mijzelf ontzettend plechtig voor om ten overstaan van mijn kinderen nooit en te nimmer meer het F-woord te gebruiken.

Maar het was te laat. Het kwaad was geschied. Kleine oortjes horen alles en kleine hoofdjes onthouden alles. Zeker als het indruk heeft gemaakt. Had ik er een flinke Nederlandse krachtterm tegenaan gegooid, dan hadden ze dat niet doorgehad, maar helaas, zoals gezegd, het kwaad was geschied. En eergisteren kreeg ik dat nog eens fijntjes ingewreven. In dochter's klas was een gesprek ontstaan waarin de leraar op een gegeven moment aan de kinderen had gevraagd wat hun moeder doet als ze boos is. Dochter, eerlijk en onschuldig, antwoordde dat als haar moeder echt heel boos is, ze het F-woord gebruikt. De leraar had deze informatie tot zich genomen en later grijnzend met zijn collegas gedeeld. Die kwamen vervolgens grijnzend naar mij toe om mij badend in het leedvermaak op de hoogte te stellen van mijn opvoedkundig falen.

Ik kon niet anders dan beamen dat ik inderdaad één keer in opperste staat van boosheid het vermaledijde woord uit mijn mond had laten glippen. Ik benadrukte dat dit slechts één keer was gebeurd maar voelde dat niemand dat geloofde. Dat dochter vervolgens meedeelde dat ik niettemin de allerliefste mama ben, deed de leraren glimlachen, maar of dat geruststellend of meewarig bedoeld was, weet ik niet.

Later vroeg ik dochter wat de andere kinderen hadden geantwoord. Niks bijzonders, volgens haar. Ik troost mij met de gedachte dat die andere kinderen vast allemaal worden opgevoed door nannies, ofwel zo gewend zijn aan krachttermen dat ze het niet meer horen. Want het zal toch niet zo zijn dat van de 20 moeders, ik de enige ben die een keer over de schreef is gegaan? Toch?December 2016

woensdag 30 november 2016

Leonora wordt Leonardo


Liepen we vorige winter nooit in truien omdat de centraal aangestuurde verwarming in het appartement altijd vol stond te loeien, nu we in een huis wonen dat rijkelijk is voorzien van ramen, is de nood aan dikke truien hoog. Lekkere warme wegkruip truien. Zoals deze, voor zoon.



Ik nam het patroon van de Leonora sweater met raglanmouwen van La Maison Victor sept-okt 2015 als uitgangspunt. Ik liet de boorden achterwege, evenals de splitjes. Voor- en achterpand werden even lang en ik tekende er een hele flinke col aan. Kortom, van Leonora bleef weinig over. Het werd een winterse jongensversie, Leonardo.

De stof kocht ik op de markt.




zondag 20 november 2016

De prestatiedrang

Presteren staat bij de school van onze kinderen hoog in het vaandel. Heel hoog. Alles draait om resultaten. Het doel van de school is om zoveel mogelijk leerlingen aan het eind van de rit af te leveren aan 's werelds topuniversiteiten en die rit begint zodra ze met vijf jaar aan het eerste leerjaar beginnen. Aan het begin van elk schooljaar worden alle kinderen vanaf zeven jaar op alle fronten getest. De resultaten van zoon waren sprankelend. We kunnen hem vervroegd klaarstomen voor het middelbaar onderwijs, zei zijn leraar, maar het gevaar is dat kinderen dan na een paar jaar uitgeblust raken en er gewoon geen zin meer in hebben, dus ik raad het niet aan. Dat vonden wij een wijs advies. Het kind is acht. Wat mijn advies is, ging de leraar verder, is dat hij af en toe wat gas terug neemt, relaxen, even minder hard werken, lekker spelen. Ook dat leek ons een goed idee, het kind is acht. Helaas gooit het huiswerk-beleid van dezelfde leraar flink wat roet in het relax-advies. Leraar doet namelijk aan extra huiswerk. Bovenop de door school bepaalde reeds stevige portie huiswerk, geeft hij namelijk elke week extra huiswerk. Het extra huiswerk is niet verplicht, maar er kunnen wel grof punten mee worden gescoord. Die punten leiden tot gele kaarten en die gele kaarten leiden tot prijzen. En dus willen kinderen extra huiswerk. Want opteer je niet voor extra huiswerk, dan loop je punten mis en eindig je onder aan de ladder. Zo werkt het kennelijk. De stapel huiswerk is dan ook elke week aanzienlijk, evenals het aantal uren dat er aan besteed wordt. Wij kunnen praten als Brugman, maar dat huiswerk wordt gemaakt. Zuchtend en steunend, dat wel, want uiteraard zou zoon veel liever relaxen en spelen. Het kind is acht. Maar ja, die punten, die ladder...

Aan het begin van dit schooljaar werd medegedeeld dat de school de academische resultaten nog altijd van groot belang acht, maar vanaf nu ook meer nadruk zou gaan leggen op het belang van sport, spel, muziek en creativiteit. Er is een voetbalteam, maar alleen voor de allerbeste voetballertjes. Er is een basketbalteam. Maar alleen voor de allerbeste basketballertjes. Er worden peperdure trips naar Europa georganiseerd, voor de allerbeste muziekmakertjes. Creatief mogen ze zijn in artclass. Een uurtje per week. Waarschijnlijk acht de school de twee dagelijkse speelkwartiertjes voldoende spel voor kinderen, want de lange schooldagen en hopen huiswerk laten niet veel ruimte over voor buitenschoolse speelmomenten. Kortom, presteren staat bij de school van onze kinderen hoog in het vaandel. Toen ik onlangs – wederom – een gesprek aanvroeg om mijn ongenoegen te uiten, werd mij vriendelijk uitgelegd dat ik behoor tot de groep van Europese ouders, die voorstander zijn van minder huiswerk en meer speeltijd. De lokale ouders daarentegen, de overgrote meerderheid, vinden het school-beleid evenwel nog altijd te slap en eisen doorlopend meer huiswerk en meer werkdruk voor hun kinderen. Prestatiedrang ten top.

Man en ik hebben met de situatie meer moeite dan onze kinderen zelf. Zij zijn blij met hun vriendjes en vriendinnetjes, met hun leraren en met dat beetje sport, spel, muziek en creativiteit dat wordt aangeboden. Ze varen wel bij het curriculum van de school en de wijze waarop dit hen wordt onderwezen. Wij winden ons regelmatig op over het een en ander, waar onze kinderen zelf evenwel geen oog minder om dicht doen. Maar wij zijn er niet over uit. Moeten we die ongebreidelde prestatiedrang ontmoedigen? Aanmoedigen? Laten we de kinderen vrij in hun keuze in hoeverre zij mee willen gaan in de ratrace? Sturen wij ze bij zodat ze ook nog eens onbezorgd buiten kunnen spelen? We waren er nog altijd niet over uit toen school een spellingwedstrijd organiseerde. De kinderen kregen een boekje mee naar huis met zo'n 800 woorden om te oefenen. Zoon is een verdienstelijk speller en won zonder al te veel moeite de voorronde. Daarna begon het echte werk. De voorronde was schriftelijk, gewoon, aan zijn tafeltje in de klas. Easypeasy, zoals hij zelf zei. Maar met het winnen van de voorronde, kwalificeerde hij zich automatisch voor de finale. En die zou plaatsvinden in de grote zaal, ten overstaan van zo'n 400 leerlingen, mondeling, voor de microfoon. Zoon en microfoon plus toeschouwers: geen goede combinatie. Ik zag zijn gevecht. Hij wilde meedoen. De eer, de punten. Hij wilde niet meedoen. De microfoon, de toeschouwers. Meedoen betekende ook oefenen. Oefenen, oefenen, oefenen. Tot het zijn en mijn oren uit kwam. Oefenen deden we samen, ik zei het woord, hij spelde het. Vaak had hij er helemaal geen zin in en wilde hij liever spelen. Maar als ik dan het oefenboek dichtklapte, wilde hij toch door. Een lijdensweg. Het was ook mijn gevecht. Leer ik hem dat wie A zegt, ook B moet zeggen? Als je mee wilt doen, moet je oefenen? Of moedig ik hem aan buiten te gaan spelen en die wedstrijd te laten schieten dan wel onvoorbereid aan te gaan?

De dag van de finale naderde en zoon zag er meer en meer tegenop. Uiteindelijk besloot hij mee te doen, maar ik mocht niet komen kijken. Mijn aanwezigheid zou zijn zenuwen de pan uit doen rijzen. Door alle voorbereidingsperikelen waren mijn zenuwen ook enigszins geprikkeld en ik besloot stiekem toch te gaan, maar uit zicht te blijven. Ik zag dat witte, strakgespannen smoeltje, ik zag mijn manneke, zo niet op zijn gemak op het podium staan. De tranen prikten achter mijn ogen. Maar de wedstrijd begon. Hij stond er en won. De overweldigende opluchting die zich van hem meester maakte toen hij besefte dat het voorbij was, was heerlijk om te zien. Ik kwam tevoorschijn en klapte trots voor mijn dappere kind. Stralend nam hij zijn oorkonde in ontvangst. Het zat er op, het was voorbij. Althans, dat dacht hij en dat dacht ik. Totdat aan het einde van de ceremonie het Hoofd van het Engelse departement het woord nam. Met een lach van oor tot oor kondigde ze aan een verrassing te hebben voor de winnaars. Voor het eerst werd een spellingwedstrijd georganiseerd waaraan alle internationale scholen zouden deelnemen. Die wedstrijd zou drie weken later plaatsvinden en, verrassing, de winnaars naast haar zouden onze school vertegenwoordigen! Ik keek naar mijn zoon. Hij stond niet langer te stralen. Ik zag ongeloof en verbijstering op zijn gezicht. Zijn schouders zakten. Ogen vol wanhoop zochten de mijnen. We konden wel janken. Het was niet voorbij.

We lieten zoon de keus maar probeerden hem subtiel te inspireren tot buiten spelen. Tevergeefs. Hij had slapeloze nachten, maar deed mee. Hij werd knap tweede maar was diep teleurgesteld. Dat duurde een kwartier. Toen leek hij de teleurstelling te zijn vergeten, evenals de slapeloze nachten, het oefenen, de zenuwen en de microfoon. Nog maar net de schoolpoorten uit, verkondigde hij diezelfde middag volgend jaar naar alle waarschijnlijkheid toch weer mee te willen doen. Aanmoedigen? Ontmoedigen? Niet mee bemoeien?

Soms zou ik zoon stiekem wel eens een dagje thuis willen houden. Lekker buiten spelen. Maar helaas geeft de school aan het eind van ieder trimester oorkondes uit voor 100% aanwezigheid. Heb je geen dag gemist? Dan val je in de prijzen. Extra punten, een filmmiddag, een uniform-vrije dag. Ben je oprecht ziek geweest? Heel vervelend, maar dan loop je je prijs dus mis. Hoe absurd is dat. Maar dat dagje spelen zit er dus niet in. Want we kunnen praten als Brugman, zoon gaat naar school. Die punten, die ladder...
November 2016