donderdag 19 januari 2017

Schaapsmand


Afgelopen zomer waren we een paar dagen in Kyrgyzstan waar we leerden vilt te maken van schapenwol. We maakten ieder een lap en die ging mee naar huis.


Die lappen lagen maar te liggen. Zonde. Het vilt is te stevig voor onder de naaimachine, maar met de hand maakte ik er een mand van die nu dienst doet als prullenmand in de naaikamer. Niet subtiel afgewerkt, maar een beetje ruig, net zoals het materiaal, ruig, puur natuur vilt.




vrijdag 30 december 2016

Rode neuzen en een nieuwe trui


Het was dochter's beurt voor een warme woontrui. Een hardnekkige en heftige griep houdt me al een paar weken van de straat en meer dan deze trui werd er niet gefabriceerd. 


Hoewel ik graag teruggrijp op eerder naar volle tevredenheid gemaakte patronen, wil ik soms wel eens iets heel anders proberen. Ik heb wat oude bladen liggen en in de Knippie 39 - herfst 2000 vond ik deze trui. De ronde zakken en rits die vanuit het voorpand rond de capuchon loopt, geven de trui een leuke twist. Ik maakte maat 128. De mode was in 2000 duidelijk wijd, want hoewel ik het patroon versmalde, valt de trui meer dan een maatje groot. Maar dat mag voor een woontrui en bovendien kan hij zo nog een jaartje extra mee. 

 
Kijk toch dat koude rode winter neusje, love it!


De stof kocht ik op de markt in Nederland.


zondag 11 december 2016

En toen was het te laat

In een huwelijk als het onze met een Nederlandse en een Spanjaard, zou je wellicht verwachten dat het temperament aan de Spaanse kant zit. Niets is in ons geval echter minder waar. Man is het toonbeeld van evenwichtigheid, beheersd en stabiel. Ik daarentegen kan nogal eens fel uit de hoek komen. Uiteraard probeer ik mijzelf onder controle te houden, maar de eerlijkheid gebiedt mij toe te geven dat ik wel eens faal. Faliekant. Dan is de koek opeens op en barst de bom. De kalmte waarmee man dergelijke explosies over zich heen laat komen, is bewonderenswaardig, maar werkt op het moment zelf als olie op het vuur. Als de rust dan weer is wedergekeerd, doe ik doorgaans stug alsof ik het al die tijd bij het rechte eind had en glimlacht man minzaam.

Heel soms verlies ik ook tegenover mijn kinderen mijn geduld. Waar ik tegenover man nog wel eens wil stellen dat ik nou eenmaal ben zoals ik ben en dat een beetje temperament de boel voor saaiheid behoedt, probeer ik tegenover mijn kinderen met man en macht de stabiele, evenwichtige, altijd redelijke en geduldige moeder te zijn die ik zo graag zou willen zijn. Maar niets menselijks is mij vreemd, en soms faal ik. Faliekant. Dan wordt er een deur te hard dichtgegooid, wordt er iets op de grond gegooid of verhef ik mijn stem tot boven de toegestane waarde.

Een week of vijf geleden was zo'n moment. Ik ging door het lint. Eén van de kinderen, of allebei - beschamend genoeg weet ik niet meer wat de aanleiding was maar kennelijk was het op dat moment ernstig genoeg – had mij tot het uiterste getergd. Ik kreeg de 'en nu is het genoeg' waas voor mijn ogen. Vervolgens kreeg ik het voor elkaar om één van de absolute 'nooit tegen je kinderen te gebruiken woorden' uit mijn mond te laten glippen. Als ik echt heel erg boos ben en wil dat mijn kinderen echt heel goed begrijpen dat ik echt heel erg boos ben, dan ben ik boos in het Engels. In mijn aldus Engelse tirade voegde zich op onbegrijpelijke wijze ineens heel slinks de zin “What the F... were you thinking?!”

Het was direct doodstil. Zoon begon te snikken. Dochter begon te grijnzen. “Mum, you used the F-word!” Ik kwam onmiddellijk bij zinnen en bood mijn kinderen mijn verontschuldigingen aan. Dat had ik nooit en te nimmer mogen zeggen, het glipte er helemaal per ongeluk uit... Het had duidelijk indruk gemaakt en ik nam mijzelf ontzettend plechtig voor om ten overstaan van mijn kinderen nooit en te nimmer meer het F-woord te gebruiken.

Maar het was te laat. Het kwaad was geschied. Kleine oortjes horen alles en kleine hoofdjes onthouden alles. Zeker als het indruk heeft gemaakt. Had ik er een flinke Nederlandse krachtterm tegenaan gegooid, dan hadden ze dat niet doorgehad, maar helaas, zoals gezegd, het kwaad was geschied. En eergisteren kreeg ik dat nog eens fijntjes ingewreven. In dochter's klas was een gesprek ontstaan waarin de leraar op een gegeven moment aan de kinderen had gevraagd wat hun moeder doet als ze boos is. Dochter, eerlijk en onschuldig, antwoordde dat als haar moeder echt heel boos is, ze het F-woord gebruikt. De leraar had deze informatie tot zich genomen en later grijnzend met zijn collegas gedeeld. Die kwamen vervolgens grijnzend naar mij toe om mij badend in het leedvermaak op de hoogte te stellen van mijn opvoedkundig falen.

Ik kon niet anders dan beamen dat ik inderdaad één keer in opperste staat van boosheid het vermaledijde woord uit mijn mond had laten glippen. Ik benadrukte dat dit slechts één keer was gebeurd maar voelde dat niemand dat geloofde. Dat dochter vervolgens meedeelde dat ik niettemin de allerliefste mama ben, deed de leraren glimlachen, maar of dat geruststellend of meewarig bedoeld was, weet ik niet.

Later vroeg ik dochter wat de andere kinderen hadden geantwoord. Niks bijzonders, volgens haar. Ik troost mij met de gedachte dat die andere kinderen vast allemaal worden opgevoed door nannies, ofwel zo gewend zijn aan krachttermen dat ze het niet meer horen. Want het zal toch niet zo zijn dat van de 20 moeders, ik de enige ben die een keer over de schreef is gegaan? Toch?December 2016

woensdag 30 november 2016

Leonora wordt Leonardo


Liepen we vorige winter nooit in truien omdat de centraal aangestuurde verwarming in het appartement altijd vol stond te loeien, nu we in een huis wonen dat rijkelijk is voorzien van ramen, is de nood aan dikke truien hoog. Lekkere warme wegkruip truien. Zoals deze, voor zoon.



Ik nam het patroon van de Leonora sweater met raglanmouwen van La Maison Victor sept-okt 2015 als uitgangspunt. Ik liet de boorden achterwege, evenals de splitjes. Voor- en achterpand werden even lang en ik tekende er een hele flinke col aan. Kortom, van Leonora bleef weinig over. Het werd een winterse jongensversie, Leonardo.

De stof kocht ik op de markt.




zondag 20 november 2016

De prestatiedrang

Presteren staat bij de school van onze kinderen hoog in het vaandel. Heel hoog. Alles draait om resultaten. Het doel van de school is om zoveel mogelijk leerlingen aan het eind van de rit af te leveren aan 's werelds topuniversiteiten en die rit begint zodra ze met vijf jaar aan het eerste leerjaar beginnen. Aan het begin van elk schooljaar worden alle kinderen vanaf zeven jaar op alle fronten getest. De resultaten van zoon waren sprankelend. We kunnen hem vervroegd klaarstomen voor het middelbaar onderwijs, zei zijn leraar, maar het gevaar is dat kinderen dan na een paar jaar uitgeblust raken en er gewoon geen zin meer in hebben, dus ik raad het niet aan. Dat vonden wij een wijs advies. Het kind is acht. Wat mijn advies is, ging de leraar verder, is dat hij af en toe wat gas terug neemt, relaxen, even minder hard werken, lekker spelen. Ook dat leek ons een goed idee, het kind is acht. Helaas gooit het huiswerk-beleid van dezelfde leraar flink wat roet in het relax-advies. Leraar doet namelijk aan extra huiswerk. Bovenop de door school bepaalde reeds stevige portie huiswerk, geeft hij namelijk elke week extra huiswerk. Het extra huiswerk is niet verplicht, maar er kunnen wel grof punten mee worden gescoord. Die punten leiden tot gele kaarten en die gele kaarten leiden tot prijzen. En dus willen kinderen extra huiswerk. Want opteer je niet voor extra huiswerk, dan loop je punten mis en eindig je onder aan de ladder. Zo werkt het kennelijk. De stapel huiswerk is dan ook elke week aanzienlijk, evenals het aantal uren dat er aan besteed wordt. Wij kunnen praten als Brugman, maar dat huiswerk wordt gemaakt. Zuchtend en steunend, dat wel, want uiteraard zou zoon veel liever relaxen en spelen. Het kind is acht. Maar ja, die punten, die ladder...

Aan het begin van dit schooljaar werd medegedeeld dat de school de academische resultaten nog altijd van groot belang acht, maar vanaf nu ook meer nadruk zou gaan leggen op het belang van sport, spel, muziek en creativiteit. Er is een voetbalteam, maar alleen voor de allerbeste voetballertjes. Er is een basketbalteam. Maar alleen voor de allerbeste basketballertjes. Er worden peperdure trips naar Europa georganiseerd, voor de allerbeste muziekmakertjes. Creatief mogen ze zijn in artclass. Een uurtje per week. Waarschijnlijk acht de school de twee dagelijkse speelkwartiertjes voldoende spel voor kinderen, want de lange schooldagen en hopen huiswerk laten niet veel ruimte over voor buitenschoolse speelmomenten. Kortom, presteren staat bij de school van onze kinderen hoog in het vaandel. Toen ik onlangs – wederom – een gesprek aanvroeg om mijn ongenoegen te uiten, werd mij vriendelijk uitgelegd dat ik behoor tot de groep van Europese ouders, die voorstander zijn van minder huiswerk en meer speeltijd. De lokale ouders daarentegen, de overgrote meerderheid, vinden het school-beleid evenwel nog altijd te slap en eisen doorlopend meer huiswerk en meer werkdruk voor hun kinderen. Prestatiedrang ten top.

Man en ik hebben met de situatie meer moeite dan onze kinderen zelf. Zij zijn blij met hun vriendjes en vriendinnetjes, met hun leraren en met dat beetje sport, spel, muziek en creativiteit dat wordt aangeboden. Ze varen wel bij het curriculum van de school en de wijze waarop dit hen wordt onderwezen. Wij winden ons regelmatig op over het een en ander, waar onze kinderen zelf evenwel geen oog minder om dicht doen. Maar wij zijn er niet over uit. Moeten we die ongebreidelde prestatiedrang ontmoedigen? Aanmoedigen? Laten we de kinderen vrij in hun keuze in hoeverre zij mee willen gaan in de ratrace? Sturen wij ze bij zodat ze ook nog eens onbezorgd buiten kunnen spelen? We waren er nog altijd niet over uit toen school een spellingwedstrijd organiseerde. De kinderen kregen een boekje mee naar huis met zo'n 800 woorden om te oefenen. Zoon is een verdienstelijk speller en won zonder al te veel moeite de voorronde. Daarna begon het echte werk. De voorronde was schriftelijk, gewoon, aan zijn tafeltje in de klas. Easypeasy, zoals hij zelf zei. Maar met het winnen van de voorronde, kwalificeerde hij zich automatisch voor de finale. En die zou plaatsvinden in de grote zaal, ten overstaan van zo'n 400 leerlingen, mondeling, voor de microfoon. Zoon en microfoon plus toeschouwers: geen goede combinatie. Ik zag zijn gevecht. Hij wilde meedoen. De eer, de punten. Hij wilde niet meedoen. De microfoon, de toeschouwers. Meedoen betekende ook oefenen. Oefenen, oefenen, oefenen. Tot het zijn en mijn oren uit kwam. Oefenen deden we samen, ik zei het woord, hij spelde het. Vaak had hij er helemaal geen zin in en wilde hij liever spelen. Maar als ik dan het oefenboek dichtklapte, wilde hij toch door. Een lijdensweg. Het was ook mijn gevecht. Leer ik hem dat wie A zegt, ook B moet zeggen? Als je mee wilt doen, moet je oefenen? Of moedig ik hem aan buiten te gaan spelen en die wedstrijd te laten schieten dan wel onvoorbereid aan te gaan?

De dag van de finale naderde en zoon zag er meer en meer tegenop. Uiteindelijk besloot hij mee te doen, maar ik mocht niet komen kijken. Mijn aanwezigheid zou zijn zenuwen de pan uit doen rijzen. Door alle voorbereidingsperikelen waren mijn zenuwen ook enigszins geprikkeld en ik besloot stiekem toch te gaan, maar uit zicht te blijven. Ik zag dat witte, strakgespannen smoeltje, ik zag mijn manneke, zo niet op zijn gemak op het podium staan. De tranen prikten achter mijn ogen. Maar de wedstrijd begon. Hij stond er en won. De overweldigende opluchting die zich van hem meester maakte toen hij besefte dat het voorbij was, was heerlijk om te zien. Ik kwam tevoorschijn en klapte trots voor mijn dappere kind. Stralend nam hij zijn oorkonde in ontvangst. Het zat er op, het was voorbij. Althans, dat dacht hij en dat dacht ik. Totdat aan het einde van de ceremonie het Hoofd van het Engelse departement het woord nam. Met een lach van oor tot oor kondigde ze aan een verrassing te hebben voor de winnaars. Voor het eerst werd een spellingwedstrijd georganiseerd waaraan alle internationale scholen zouden deelnemen. Die wedstrijd zou drie weken later plaatsvinden en, verrassing, de winnaars naast haar zouden onze school vertegenwoordigen! Ik keek naar mijn zoon. Hij stond niet langer te stralen. Ik zag ongeloof en verbijstering op zijn gezicht. Zijn schouders zakten. Ogen vol wanhoop zochten de mijnen. We konden wel janken. Het was niet voorbij.

We lieten zoon de keus maar probeerden hem subtiel te inspireren tot buiten spelen. Tevergeefs. Hij had slapeloze nachten, maar deed mee. Hij werd knap tweede maar was diep teleurgesteld. Dat duurde een kwartier. Toen leek hij de teleurstelling te zijn vergeten, evenals de slapeloze nachten, het oefenen, de zenuwen en de microfoon. Nog maar net de schoolpoorten uit, verkondigde hij diezelfde middag volgend jaar naar alle waarschijnlijkheid toch weer mee te willen doen. Aanmoedigen? Ontmoedigen? Niet mee bemoeien?

Soms zou ik zoon stiekem wel eens een dagje thuis willen houden. Lekker buiten spelen. Maar helaas geeft de school aan het eind van ieder trimester oorkondes uit voor 100% aanwezigheid. Heb je geen dag gemist? Dan val je in de prijzen. Extra punten, een filmmiddag, een uniform-vrije dag. Ben je oprecht ziek geweest? Heel vervelend, maar dan loop je je prijs dus mis. Hoe absurd is dat. Maar dat dagje spelen zit er dus niet in. Want we kunnen praten als Brugman, zoon gaat naar school. Die punten, die ladder...
November 2016


zondag 13 november 2016

BFL knuffeldoekjes en vreetz'oppers


Twee vreetz'oppers onderweg naar Belgie. Met 6500 km te gaan, twee zeer bereisde vriendjes!
 

Vergezeld van twee knuffeldoekjes. Allevier gemaakt van favoriete restjes.

 


zondag 6 november 2016

Griezelen


Blij dat we ein-de-lijk de roze prinsessenfase zo goed als definitief achter ons kunnen laten, ging ik op de valreep in op dochter's verzoek om vooral SCARY naar halloweendag op school te kunnen gaan. 

Een zwarte pruik vond ik op de bazar en het rokje en shirtje flanste ik snel uit de losse pols in elkaar. De doodshoofden knipten we uit wit vilt en ik naaide ze er vervolgens met de hand op. Nog wat schmink en voila, scary dochter.











woensdag 2 november 2016

Keukengenot

Mijn nieuwste aanwinst werd door mijn Nederlandse familie op skeptisch nuchtere Hollandse wijze becommentarieerd. “Wat dat ding kan, kan je toch ook gewoon zelf met een pan en een fornuis?” “Ik zou zoveel geld niet uitgeven voor een veredelde keukenmachine.” Wel... nee, ik kan niet zelf met pan en fornuis wat dat ding kan. En ik had geluk, het was een cadeau. Ik vermoed dat mijn schoonouders zich al jaren zorgen maakten om het culinaire welzijn van hun zoon en kleinkinderen. Mijn gebrek aan kookkunsten is nooit een geheim geweest, maar voor mijn zeer getalenteerde kookminnende schoonouders wel een onbegrijpelijk iets. Afgelopen voorjaar waren ze een dag of tien bij ons en toevallig viel mijn verjaardag precies in die tien dagen. Ze zagen hun kans schoon en schonken mij – en mijn gezin – een befaamde keukenmachine, of beter gezegd, keukenrobot. Terwijl mijn familie in Nederland zich op de dijen kletste, maakte ik een vreugdedans. Ik had het ding eerder in werking gezien en wist, dit gaat mijn leven veranderen. De Hollandse hoon ten spijt, kon ik niet wachten tot ik mijn nieuwe vriend in de zomer overhandigd zou krijgen. Die overhandiging ging gepaard met een paar uur durende cursus aan huis, waarin we in sneltreinvaart een keur aan gerechten klaarmaakten. Schoonouders waren enthousiast aanwezig, waarschijnlijk diep van binnen hopend dat hun liefdevolle investering aan zou slaan en niet straks ongebruikt op ons aanrecht zou staan blinken.

Voor zover ze zich al zorgen maakten - hetgeen ik in hun plaats zeker zou hebben gedaan, want mijn afkeur voor koken zit zat oprecht diep – bleek dat geheel ongegrond. Ik kook. Dat wat ik met pan en fornuis niet voor elkaar kreeg, lukt me nu wel. Mijn machine neemt me namelijk voor ieder recept bij de hand en leidt me stap voor stap naar het beoogde eindresultaat. Ik doe de boodschappen, de machine doet de rest. Hij maakt zichzelf na gebruik zelfs weer schoon. Alles wat er in de kookpot gebeurt, gebeurt precies goed. De hoeveelheden, de snelheid, de temperatuur, de tijd... Hij snijdt, hakt, verpulvert, roert, kneedt, fruit, kookt, stooft, stoomt. Het is alleen geen oven, maar die kan ik zelf aan- en uitzetten. Alles smaakt anders. Alles smaakt precies goed. Het is alsof er een revolutie heeft plaatsgevonden. Man en kinderen kijken uit naar de gezamenlijke maaltijd en kunnen hun smaakpapillen niet geloven. Het eten is lekker. Elke keer weer. Terwijl de machine snijdt, hakt, verpulvert, roert, kneedt, fruit, kookt, stooft, stoomt, doe ik andere dingen. En als het snijden, hakken, verpulveren, roeren, kneden, fruiten, koken, stoven, stomen klaar is, dan krijg ik een seintje van de machine. Een ingredient erbij, een druk op de knop en vervolgens ga ik weer verder waar ik mee bezig was. Als ik dan mijn ding gedaan heb, is ook maar zo het eten klaar.

Man en kinderen moeten veel van mij houden, want terugkijkend is het haast beschamend wat ik hen al die jaren heb voorgeschoteld. Nu is de grote uitdaging om de machine in goede conditie te houden. Want hij doet weliswaar vrijwel alles, maar mij leren koken doet hij niet. Ik doe slaafs wat hij me opdraagt. Als een getrainde poedel voer ik de opdrachten uit, maar wat er in de kookpot gebuert, is voor mij onzichtbaar. O, behoede mij voor de dag dat de machine het begeeft! Hij is dan ook verboden terrein voor iedereen behalve mijzelf. Ik bedien hem, ik vertroetel hem. Voor de buitenwereld ben ik het baasje. Ik domineer de kunst van het koken met de machine. Alleen wij, de machine en ik, weten dat in werkelijkheid hij de baas is en ik de poedel. Het geeft niet. Mijn leven is veranderd en we hebben er allemaal profijt van. Mijn eerste etentje met genodigden is inmiddels achter de rug. Een succes. Ik kook. Ik geniet van de illusie die de machine me toestaat mijzelf te maken.

Het enige roet in mijn heerlijke eten is dochterlief. Die beweert te pas en te onpas dat ik niet kan koken. Dat al dat lekkere eten niet door mij maar door de machine wordt gemaakt. Zodra de machine ter sprake komt, komt ze er met haar grote kwek tussen om mij op luide toon te degraderen tot poedel, slaafs ondergeschikt aan de machine. Recht voor z'n raap. Net zoals ze me onlangs onderschepte tussen douche en handdoek. Ze vouwde haar handjes om mijn borsten en vroeg peinzend, terwijl ze haar handjes een centimeter of wat omhoog duwde, of ze niet eigenlijk dáár hoorden te hangen. Net zoals ze vorige week toen ik haar van school kwam halen nadat ik uren in de weer was geweest om – helaas zonder handschoenen – na een fikse regenbui de walnoten van eigen boom te ontdoen van hun omhulsel, met haar gebruikelijke luide stem uitriep dat mijn vingers en nagels er werkelijk walgelijk vies uitzagen. Ik kreeg ze met geen mogelijkheid meer schoon en voelde nog dagenlang de blikken van alle keurig gemanicuurde moeders op mijn handen branden.

Maar het geeft niet. We hoeven het niet mooier te maken dan het is. Ik vind het namelijk schitterend zoals het is. De machine heeft me verlost van het juk van de kookstress. Hoewel ik nog altijd niet kan koken, kook ik de sterren van de hemel. Als dat niet schitterend is.
November 2016


P.S. Dit is geen gesponsorde post. Als ik het evenwel zo nog eens nalees, had ik er verdorie best een nieuw kookboek voor de machine uit kunnen slepen! ;-)

vrijdag 21 oktober 2016

Een volwassen Candy


Ik las eens op een blog (waar o waar...) dat de LMV Candy dress in maat 176 ook voor een maat S kon doorgaan. Toen ik op de markt in Nederland de verenstof in twee varianten voor een prikkie tegenkwam, besloot ik het eens te proberen. Een test Candy. Want ik ga natuurlijk niet in veren de straat op. 


De taille verlaagde ik weer iets en het pakte eigenlijk prima uit. Ik zal er niet mee uiteten gaan, maar een geslaagd strandjurkje is het in ieder geval geworden. 




vrijdag 14 oktober 2016

Het nieuwe huis

Man en ik hebben een afspraak. Omdat we elke drie tot vijf jaar van woonland veranderen, hebben we met elkaar afgesproken dat we binnen elk land de jaren die we er wonen in één en hetzelfde huis blijven wonen. We verhuizen altijd met ons hele hebben en houden, een 20 ft container vol, en dat is een zodanig gedoe dat we die rompslomp tot een minimum willen beperken. Maar onze onuitstaanbaar luidruchtige bovenburen maakten dat we ons voor één keer niet aan onze afspraak gebonden voelden. Na een jaar in ons appartement wilden we verhuizen. We namen die beslissing kort voor de zomer en aangezien de huizen in de buurt van onze voorkeur en binnen ons budget niet voor het oprapen liggen, was er nog geen nieuw onderkomen gevonden op het moment dat de zomervakantie begon en ik met de kinderen naar Nederland vertrok. Of hij in onze afwezigheid de zoektocht naar een huis kon voortzetten, vroeg man. Uiteraard, antwoordde ik. Als je het maar niet in je hoofd haalt een huis te huren dat ik niet heb gezien, voegde ik er aan toe. En zo werd een nieuwe afspraak geboren. Wel zoeken, niet beslissen.

We waren nog geen week in Nederland, toen man mij opbelde met de mededeling dat hij een huis had gezien. Een fantastisch huis. Precies wat we zochten. Dit was het. Hij stuurde wat fotootjes. Ik zag een prachtige tuin, een vreselijk lelijke blauwe keuken, een glimmende houten trap en een grote woonkamer. Het huis was gunstig gelegen en had een grote kelder met sport-, spel- en muziekmogelijkheden, en dus stelde ik man voor - onze afspraak indachtig - dat hij de eigenaar zou uitleggen dat ik eind augustus zou terugkomen en dat we dan graag het huis opnieuw zouden bekijken. Een dag later hing man wederom aan de lijn. Er waren meer kapers op de kust. De beslissing moest genomen worden. Diezelfde dag. Ik kreeg nog een vaag filmpje toegestuurd met wat beelden van de straat, de tuin en de lelijke blauwe keuken. En toen kwam de vraag. Wat zal ik doen, vroeg man mij.

Ik zei man eerlijk dat ik die beslissing niet kon nemen. Een paar fotos en een filmpje zeggen niet zoveel. Een huis moet je zien en vooral voelen. Maar, voegde ik er aan toen, je weet hoe ik in elkaar steek en wat ik belangrijk vind aan een huis. Op dat moment besloot ik me van mijn goede kant te laten zien. Ik besloot mijn dwangmatige hang naar controle voor eens en voor altijd te matigen, en dat voornemen maakte mij zo enthousiast, dat ik direct ook maar besloot voortaan als flexibel en optimistisch mens door het leven te gaan. Eigenlijk besloot ik op dat moment een nieuw mens te worden. Een betere versie van mezelf. Flexibel, optimistisch, in staat om de controle af en toe uit handen te geven. En dus eindigde ik mijn antwoord met een van flexibiliteit en optimisme overgoten “de beslissing is aan jou en ik weet zeker dat jouw beslissing de juiste zal zijn.”

ik voelde me in de weken die volgden ook daadwerkelijk een ander mens. Ik had het uit handen gegeven en het zou goed komen. Man daarentegen was gematigd optimistisch. Hij kent mij langer dan vandaag en deze ommekeer stemde hem argwanend hoopvol. Het gevoel van “te mooi om waar te zijn”, spookte door zijn hoofd. Toch besloot hij het huis te huren. Hij tekende het contract, betaalde de borg en zegde de huur van het appartement op. Hij was er van overtuigd dat dit huis het juiste huis was en wilde graag geloven dat ik bij thuiskomst net zo achter zijn beslissing zou staan als ik nu op afstand deed. Zelf was ik daar van overtuigd. Bovendien, hoeveel makkelijker zou het leven wel niet kunnen worden als ik vanalles uit handen zou kunnen geven!

Op maandag kwamen we terug van vakantie en op dinsdagochtend zouden de verhuizers voor de deur staan. Zonder de koffers uit te laden, reden we naar ons nieuwe huis, de kinderen opgetogen, man waakzaam, en ik flexibel en optimistisch. Het huis bleek te liggen aan een straat zonder stoep. Precies wat ik niet wilde. De tuin was mooi, maar de eigenaren bleken zo op hun tuin en gazon gesteld, dat we er geen opblaasbaar zwembadje neer mochten zetten. De woonkamer was inderdaad groot. Maar alle ramen bleken getint glas te hebben waardoor het zo donker was dat het wel een grafkelder leek. Op de vloer in de woonkamer lag aan de ene kant diarreekleurig laminaat en aan de andere kant gele tegels. De keuken was blauw. Hard blauw. Blauwe kastjes, blauwe gordijnen, blauwe bar, blauwe lamp. Blauw. Door het hele huis hingen bruine en groene luxaflex alsof het één groot somber kantoor was. Alles aan het huis was lelijk. Donker, lelijk en zielloos. De kinderen renden door de tuin, sprongen rond in de enorme kelder en kozen hun kamer uit. Ik liep wat rond en herhaalde als een mantra keer op keer dat ik nu een flexibel en optimistisch mens was dat naar volle tevredenheid de controle uit handen had gegeven. Ik zocht naar knusse plekjes in dat te grote huis en probeerde me in te beelden hoe ik er met onze eigen spullen iets van zou kunnen maken. Man zei niets. Maar hij wist het. Mijn glimlach was geforceerd en zou niet blijven plakken. Na nog geen tien minuten viel hij er inderdaad af. Met luid gerinkel viel mijn nieuwe ik in duigen. Ik barstte in tranen uit.

Een weg terug was er niet meer. De volgende dag verhuisden we. Het is maar voor een paar jaar, troostten mijn vrienden mij. Maar juist doordat we elke paar jaar verhuizen naar een nieuw land, vind ik het belangrijk om te wonen op een plek die voelt als thuis. Het hoeft niet groot, het hoeft niet luxe, als het maar voelt als een thuis. Hoewel ik de eerste weken ronduit pessimistisch was, heb ik toch een klein scherfje van mijn nieuwe ik weer van de grond opgeraapt. Eén keer heb ik aan man gevraagd hoe hij toch in hemelsnaam had kunnen denken dat ik dit een fijn huis zou vinden. Maar ik ben niet boos geworden. Ik heb man geen verwijten gemaakt. Kinderen, man en hond waren tevreden, dus ik trok mijzelf aan mijn flexibele en optimistische oren de realiteit weer in en besloot er het beste van te maken.

Inmiddels is de gele helft van de vloer vervangen door diarreekleurig laminaat. Een hele verbetering vergeleken bij de tweekleurige vloer van voorheen. Alle luxaflex zijn vervangen door neutrale lichtgrijze gordijnen. Onze meubels hebben een plek gekregen. In de tuin staat nu een grote trampoline. In de kelder staat zoon's drumstel. De hond geniet van de tuin en van de katten van de buren. In de tuin staan een appelboom, een perenboom en een walnotenboom.

Eergisteren liep ik door het park. Op een klein pleintje stond een heer op leeftijd bij een tafeltje met twee kleine boxen er op. Uit de boxen kwam muziek. Eerst klassiek, toen jazz, toen pop. Een groepje van zo'n zeven dames op leeftijd zwierde over het plein. Ze hadden allemaal hun mooiste jurk aangetrokken. Ik zag een dame met een bloemenjurk met rond kraagje en zwierrok. Ik zag een dame met een kanariegele rok tot net over de knie. Ik zag een dame met een donkerblauwe japon met pofmouwen. Ze dansten vol overgave, alleen, met elkaar, met de heer. Ik ging iets verderop op een bankje zitten en sloeg mijn armen om mijn knieën. Ik maak het mezelf zo vaak zo moeilijk waar het makkelijk kan. Ik zou eens een kanariegele rok moeten aantrekken en gaan dansen op een pleintje. Overgeven. Loslaten.
Oktober 2016